Meervleermuis

HEEFT MAATWERK NODIG

Het gaat slecht met de meervleermuis in Nederland. Op Europese schaal is de soort zeldzaam, maar in Nederland relatief algemeen. Met 65 bekende grote verblijfplaatsen in Nederland is de soort wel heel overzichtelijk. Waarom lukt het dan toch zo slecht om de meervleermuis te beschermen, en hoe zou het beter kunnen? We vroegen het vleermuisexpert Anne-Jifke Haarsma.

Meervleermuis

HEEFT MAATWERK NODIG

Het gaat slecht met de meervleermuis in Nederland. Op Europese schaal is de soort zeldzaam, maar in Nederland relatief algemeen. Met 65 bekende grote verblijfplaatsen in Nederland is de soort wel heel overzichtelijk. Waarom lukt het dan toch zo slecht om de meervleermuis te beschermen, en hoe zou het beter kunnen? We vroegen het vleermuisexpert Anne-Jifke Haarsma.

Meervleermuis. Bron: Ecopedia.be

Het (collectief) na-isoleren of renoveren van woningen is funest is voor vleermuizen die in de spouwen verblijven. Veel woningeigenaren denken bij werkzaamheden aan hun woning niet zo snel aan vleermuizen– zo bijt het ene groene doel het andere. Er komt langzamerhand wel meer aandacht voor het probleem, vooral bij de grotere eigenaren: steeds meer woningcorporaties laten voorafgaand aan het verduurzamen van hun woningvoorraad grootschalige inventarisaties uitvoeren en nemen maatregelen. Ook zijn er wel voorbeelden van gemeenten die particuliere woningeigenaren informeren en bijvoorbeeld vleermuiskasten aanbieden – hoewel het de vraag is hoe goed die werken. In deze tijd van energietransitie, waarin heel veel mensen met het isoleren van hun woning aan de slag gaan, is het goed dat het probleem breed onder de aandacht wordt gebracht.

Een aantal vleermuissoorten heeft echter niets aan reguliere vleermuiskasten. Dan hebben we het over de grotere soorten, zoals de laatvlieger en de zeldzame meervleermuis. We spraken vleermuisdeskundige Anne-Jifke Haarsma die al zo’n 20 jaar onderzoek doet naar de meervleermuis. Als we niks doen wordt het na-isoleren van woningen een langzame nekslag voor deze soort, voorspelt zij.

Specifieke overlevingsstrategie

“De meervleermuis heeft een specifieke overlevingsstrategie”, vertelt Haarsma. “Het is een grote soort, die daarom relatief veel energie nodig heeft om de lichaamswarmte op peil te houden. Daarbij moet een vrouwtjes meervleermuis tijdens de korte zomerperiode haar jongen grootbrengen en ook nog genoeg vetreserves opslaan om de winter door te komen. Een soort wapenwedloop. Dat lukt alleen door zo min mogelijk energie te verspillen aan het op peil houden van je eigen temperatuur: de meervleermuis kiest bij voorkeur verblijfplaatsen die overdag goed warm worden, liefst met maxima tussen 35-40 graden, en die de warmte ook ’s nachts vasthouden. Dat scheelt de moeder energie en zorgt dat de jongen ´s nachts op temperatuur blijven als zij foerageert.”

65 kolonies in Nederland

De meervleermuis is een soort die op Europese schaal erg zeldzaam is. “In Nederland is er een zomerpopulatie van ongeveer 10.000 tot 12.000 vrouwtjes, vertelt Haarsma. “Vrouwtjes meervleermuizen leven in hele grote groepen bij elkaar, in Nederland zijn 65 kolonies bekend. Het duurt 2-3 jaar voordat een meervleermuis zich gaat voortplanten, er zijn dus meerdere succesvolle overwinteringen nodig voordat een meervleermuis kan bijdragen aan het op peil houden van de populatie.”

Reguliere maatregelen voor vleermuizen werken niet

Tot na de Tweede Wereldoorlog vond je meervleermuiskolonies vooral op kerkzolders, maar toen die in de jaren vijftig en zestig netjes werden dichtgemaakt verhuisden ze naar geschikte plekken onder de daken van woonhuizen – precies de naoorloogse ‘snelbouw’-rijtjeshuizen met slecht geïsoleerde daken die in deze tijd actief worden aangepakt. “En als er dan al vervangende verblijfplaatsen voor vleermuizen worden aangebracht heeft dat voor meervleermuizen op dit moment niet veel zin”, zegt Haarsma. “Die kasten zijn prima geschikt voor kleine soorten, die er een heel andere strategie op na houden en dus andere eisen stellen aan hun verblijf, maar niet voor de grote soorten zoals de meervleermuis en laatvlieger. Daarbij zou zo’n verblijf ook zeker 6 kubieke meter groot moeten zijn. Hetzelfde geldt voor vleermuisvoorzieningen bij nieuwbouw, natuurinclusief bouwen. De huidige nieuwbouwwoningen zijn veel te goed geïsoleerd; waar vind je een plek die in de zon 40 graden wordt, maar die dan ook nog eens intern verbonden is, dus in dezelfde kast, met een plek van 20 graden?”

Overzichtelijk probleem?

Het lijkt een overzichtelijk probleem: 65 verblijven die beschermd moeten worden. “Dat zou je denken,” reageert Haarsma, “maar die verblijven zijn verdeeld over het hele land. Iedere provincie heeft zijn eigen apparaat van handhaving en bescherming, en overal zijn te weinig handhavers. Als jij eigenaar bent van zo’n pand kun je gewoon aan de slag: het duurt heel lang voordat iemand door heeft dat er misschien iets mis gaat. En dat gebeurt ook, het is een terugkerend probleem. En als dat al opgemerkt wordt komen nieuwe dilemma’s om de hoek: stel dat het om een particulier gaat, heeft die dat dan bewust gedaan? En ga je zo iemand straffen? Nog afgezien van het feit dat de schade lastig te bewijzen is! Kortom, je komt in een lastig parket waarbij iedereen heel omzichtig om elkaar heen moet dansen.

Waarom gaat het juist in Overijssel zo slecht?

Vooral in Overijssel gaat het op het moment erg slecht met de aantallen meervleermuizen. Haarsma heeft daar wel een verklaring voor. “Veel verblijven bevinden zich in de kleinere dorpen. Daar zie je nog veel noaberschap - een geweldig systeem natuurlijk, en beter dan in de stad waar je je buren vaak niet eens kent. Maar ook het ‘probleem’ van vleermuizen onder het dak wordt vaak onderling opgelost en de cultuur is er niet naar dat je dat meldt aan een instantie. Als er al ecologisch onderzoek gedaan wordt is dat vaak door een klein lokaal bureautje met soms onvoldoende kennis van zaken. Ik ken dan de nodige voorbeelden waarbij meervleermuizen zijn verwisseld met gewone dwergvleermuizen, onderzoek is uitgevoerd in een voor meervleermuizen onhandige periode of verkeerde adviezen zijn gegeven.”

Wat je eigenlijk zou moeten hebben is een netwerk van lokale vrijwilligers – je hebt er maar 65 nodig – die ieder jaarlijks even met de eigenaar van zo’n verblijfplaats gaan praten. Een andere optie is pro-actief soortenbeleid door de provincie zelf, waarbij handhavers deze rol hebben en de meervleermuisverblijven in hun provincie in de gaten houden. Dat hoeft niet met een wijzend vingertje, gewoon meedenken met een eigenaar kan namelijk al 95% van de problemen voorkomen. “Het klinkt als haalbaar, maar het gebeurt tot op heden nog niet.”

Hoe zou het dan wel kunnen?

“We moeten een beetje af van het idee van actie-reactie”, vindt Haarsma. “In het algemeen, maar helemaal als het om grote vleermuissoorten gaat - wat voor de meervleermuis geldt, geldt ook voor de laatvlieger: een soort met een ander leefgebied, maar een zelfde type strategie en verblijfplaats. De kans dat je iets mist is heel groot. Voor de laatvlieger is berekend dat de miskans voor een verblijf van 30 dieren ongeveer 75 tot 90% is! Dat houdt in dat in het beste geval één op de vier verblijven zult vinden. Dat is te weinig als het gaat om soortbescherming.”

In plaats daarvan pleit Haarsma voor een meer modelmatige aanpak. “Op basis van gegevens uit het verleden en kenmerken van een gebied wordt dan een kans berekend dat een dorp of gemeente geschikt is voor een soort. Als die kans groot is, is het verstandig pro-actief een voorziening voor die soort te maken. Dus niet op basis van een – vaak niet-gemeentedekkend - onderzoek dat toevallig wordt uitgevoerd, maar op basis van gezond verstand. Bijkomend voordeel: als een dorp eenmaal een succesvolle voorziening heeft voor een soort, hoeft er op andere plekken minder rekening met vleermuizen gehouden te worden. Grotere vleermuizen zijn territoriaal, het is dus niet mogelijk dat een dorp twee kolonies meervleermuizen heeft – hooguit splitst een groep zich in twee verblijven, maar dat gebeurt alleen als beide verblijven eigenlijk ongeschikt zijn (dus onvoldoende temperatuurgradiënt hebben). Nog wel geldt dan dat sloop of renovatie alleen mogen in de minst ongunstige periode, dus niet als dieren jongen hebben, maar nog meer extra voorzieningen zijn dan niet nodig.

Op dit moment zijn er meerdere vooral kleinere dorpjes in Nederland waar momenteel geen laatvlieger of meervleermuis meer voorkomt, maar 10 tot 15 jaar geleden nog wel. Op basis van zo’n modelmatige aanpak zou je die soort weer terug kunnen krijgen. Zo’n werkwijze, op basis van expert judgment, zou weleens veel meer zoden aan de dijk kunnen zetten voor de meervleermuis, maar ook voor andere grote, warmbloedige vleermuissoorten.”

Meer weten over de meervleermuis? Op de website van Anne-Jifke Haarsma vindt u uitgebreide onderzoeksgegevens en een overzicht van wetenschappelijke literatuur over de meervleermuis. www.batweter.nl (onder het kopje 'publicaties')

Verbijven

We weten aardig goed welke eisen de meervleermuis aan zijn verblijf stelt, de parameters zijn bekend.

  • Volume: De plek moet een bepaald volume hebben, zes kubieke meter is een goed uitgangspunt.
  • Temperatuur: Het moet overdag 35 tot 40 graden worden.
  • Thermische massa: Daarbij moet het die warmte vast kunnen houden en ’s nachts dus niet te sterk afkoelen.
  • Temperatuurvariatie: Binnen een object moeten naast warme plekken van 35-40 graden ook koelere plekken zijn, van 15-20 graden, zodat de dieren kunnen kiezen.

Op verschillende plekken wordt geëxperimenteerd met kunstmatige verblijven die aan deze voorwaarden voldoen. De resultaten zijn veelbelovend, maar de kasten worden nog niet veel toegepast.

65 kolonies

Nederland heeft 65 bekende kolonies, verspreid over het land.

Een overzicht in te vinden op vleermuizentellen.nl >>