03 | STADSNATUURRESERVAAT

STADSNATUURRESERVAAT

pleidooi voor spontane natuur

foto: Natuurmonumenten - Paul van der Blom

Vlak achter het Natuurhistorisch Museum ligt het eerste stadsnatuurreservaat van Rotterdam. Om bijzondere soorten naar de gebouwde omgeving te lokken? Dat zou natuurlijk mooi zijn, maar bovenal is het kleine natuurgebied een pleidooi voor spontane natuurontwikkeling in de stad.

Een paar jaar geleden werd er aan de weg gewerkt. Om het verkeer om te leiden kwam er direct langs het Natuurhistorisch Museum een tijdelijke route. In korte tijd lag het hele park overhoop. Een prachtig braakliggend terreintje bleef achter, vond Bureau Stadsnatuur. Kunnen wij het niet in beheer krijgen?, vroeg het bureau toen de wegwerkers weer vertrokken. De gemeente vond dat zowaar een goed idee. Sindsdien (2015) ontwikkelt Bureau Stadsnatuur op het braakterreintje van 400 vierkante meter niet zomaar natuur, maar spontane natuur.”

“Er is geen plan, er is niet gezaaid. Hoe het eruit gaat zien weten wij ook niet. Onze inrichting hier bestaat uit niets doen en daar gaan we later op beheren”, vertelt Remko Andeweg, stadsbotanicus bij Bureau Stadsnatuur. Zo wordt een jong boompje dat straks last gaat veroorzaken gewoon weggehaald, de meest productieve plekken wordt handmatig gemaaid. Ook kwamen er palen rond het gebied met een bord erbij – zodat mensen snappen dat het bewust anders is dan de rest van het park.

Geen 'bijzondere' natuur

Jammer dat er geen bijzondere soorten staan, reageerde iemand al. Toch klopt dat niet, vindt Andeweg. ‘Afgelopen zomer hebben we het bruin blauwtje aangetroffen. Die soort verwacht je niet in een aangeharkte stad; dat is dus toch wel weer bijzonder.’ Ook op korte afstand van het stadsnatuurreservaat, in de Nieuwe Tuin, hebben ze vergelijkbare resultaten: in het kunstenaarsproject voor meer natuurlijk groen in de stad heeft zich al een heel behoorlijke sprinkhaanpopulatie gevestigd.


Bovendien gaat het helemaal niet om bijzondere natuur, maar om een boodschap. “Wij hechten veel waarde aan braakliggende terreinen en spontane ontwikkeling en willen graag laten zien dat je ook in diep stedelijk milieu natuurlijke processen kunt laten werken. Stadsnatuur in optima forma krijg je door er gewoon vanaf te blijven. We hopen dat mensen denken: het is eigenlijk best leuk om zo met groen om te gaan. Natuur moet beginnen bij je voordeur; spontane natuur is dan de meest natuurlijke manier om groen te ontwikkelen.”

Dat wil niet zeggen dat je het daarna niet mag beheren. Een prachtig voorbeeld daarvan ligt in de Eschpolder, vindt Andeweg. Hier kreeg de natuur dertig jaar geleden de ruimte; met minimale inspanningen werd het gebied later in een stadspark veranderd. “Maar het voelt voor mij nog steeds veel natuurlijker dan ieder ander stadspark. Je voelt gewoon of iets bedacht is of niet. Spontane ontwikkeling is dus ook heel anders dan in een aangelegd park het beheer gewoon maar terugschroeven. Het voelt dan al snel als verwaarloosd. In de Eschpolder voelt het alsof het zo hoort.”


Ontspannen

Braakliggende terreinen worden helaas zeldzaam, ziet Andeweg. Zo snel als kan wordt grond weer in gebruik genomen. Het loslaten van een vooraf bepaald ontwerp: bestuurders, beheerders en ontwerpers worden er vaak een beetje zenuwachtig van, ziet hij. “In de samenleving is toch de tendens: je moet iets doen met je omgeving. Dat zit misschien ook wel in ons DNA: het idee van rentmeesterschap en de ontginning van de woeste gronden. ‘Eindbeeld’ is daarbij een veelgebruikte term. We hebben vaak het gevoel dat alles moet worden vastgelegd en dat daar ook op moet worden beheerd.”


Angst voor de komst van beschermde soorten speelt daarin misschien ook wel een rol. “Maar als je er al te rigide mee omgaat geef je die vrees ook voer. Terwijl je met de nieuwe natuurwet van flora sowieso niet zoveel meer te vrezen hebt”, meent Andeweg.

Bovendien: we zouden veel meer naar stadsnatuur moeten kijken als iets dynamisch, vindt hij. Daar past een spontane ontwikkeling op tijdelijke braakterreintjes prima bij. “Ik hoop op een ontspannener manier van omgaan met spontane ontwikkeling. Je kunt groen ontwikkelen op de tekentafel, maar je kunt ook kijken: wat is er en wat zijn de mogelijkheden. Het komen en verdwijnen van braakliggende terreinen hoort bij dat karakter. Verdwijnen doet misschien even pijn, maar zolang er maar nieuwe voor in de plaats komen kun je er ook naar kijken als een geheel van schuivende natuurterreintjes door je stad. Door te accepteren dat ze komen en gaan zijn ze een mooie toevoeging aan stadsnatuur.”