OP WEG
naar de Omgevingswet

Op 1 januari 2021 moet de Omgevingswet in werking treden. Voor de natuur verandert er op papier weinig. Wel krijgen gemeenten meer ruimte voor lokaal maatwerk. Dat betekent tegelijk ook een veel grotere verantwoordelijkheid en opgave.

OP WEG
naar de Omgevingswet

Op 1 januari 2021 moet de Omgevingswet in werking treden. Voor de natuur verandert er op papier weinig. Wel krijgen gemeenten meer ruimte voor lokaal maatwerk. Dat betekent tegelijk ook een veel grotere verantwoordelijkheid en opgave.

De Wet natuurbescherming gaat over een jaar op in de Omgevingswet. Dit gebeurt beleidsneutraal; inhoudelijk verandert er niet veel. De systematiek verandert echter wel. Met de Wet natuurbescherming stond alle natuurwetgeving op één plek. In de Omgevingswet zijn alle regels uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), een omgevingsbesluit en een omgevingsregeling.

De diverse onderdelen van de natuurwetgeving zijn ondergebracht in verschillende AMvB's: waar een vergunningplicht voor geldt, wat de kaders zijn voor vergunningverlening, wie welke bevoegdheden heeft, welke administratieve regels er zijn. "Ik heb ooit de Omgevingswet en alle onderdelen eens uit willen printen en kwam aan duidenden pagina's", verbeeldt Sander Hunink, natuurbeschermingsrecht-deskundige bij Ecologica.

Natuur wordt politiek

De Omgevingswet bundelt 26 wetten. Voor de fysieke leefomgeving staat alles nu wel bij elkaar in één wet. De Omgevingswet moet het omgevingsbeleid eenvoudiger maken, maar is vooral ook een decentralisatie. Gemeenten krijgen een grotere rol en verantwoordelijkheid voor de invulling van de fysieke leefomgeving en de bescherming van omgevingswaarden. Er wordt van de gemeente verwacht dat ze dankzij de wet integraal gaan kijken en alles gelijkwaardig kunnen afwegen in een omgevingsvisie, omgevingsplan, programma of projectbesluit. Dat is een flinke opgave, vindt Hunink. “Verschillende afdelingen moeten straks intensief gaan samenwerken om die verschillende waarden integraal mee te nemen, te beoordelen en gelijkwaardig mee te nemen. De vraag is of dat altijd lukt.”

Voor natuur kan dat nadelig uitpakken. “Onbekend maakt onbemind en natuur zit vaak in de weg.” De politiek zal een zwaar stempel drukken. Zeker omdat gemeenten, dankzij het decentraliserende karakter van de wet, ruimte krijgen voor eigen invulling en interpretatie, bijvoorbeeld via een gebiedsaanpak en soortmanagementsplannen. “Gemeenten moeten natuurlijk het beleid volgen van de provincie en de internationale kaders volgen. Maar er kunnen verschillen ontstaan hoe gemeenten deze regels en het beleid zullen interpreteren en uitwerken. Dat zien we nu al ontstaan onder de Wet natuurbescherming; interpretaties van provincies lopen na relatief korte tijd na invoering daarvan uiteen”, aldus Hunink.

Provinciale verschillen

Zo kunnen provincies voor beschermde soorten besluiten tot een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht om administratieve lasten te verlichten; bijvoorbeeld als met betrekking tot deze soorten relatief vaak verbodsbepalingen worden overtreden, maar die soorten een gunstige staat van instandhouding houden. De provincie Limburg, die een flinke populatie hazelwormen huisvest, heeft deze soort vrijgesteld, de provincies Noord-Brabant en Gelderland niet. Aan de provinciegrenzen is het opletten dus. De provincie Noord-Brabant doet dat heel anders. Na advies te hebben ingewonnen bij Wageningen Environmental Research heeft ze de Alpenwatersalamander bijvoorbeeld juist niet vrijgesteld. Ondanks het feit dat deze soort er veel voorkomt, vindt de provincie dat ze een beschermingsverplichting heeft naar de rest van Nederland.


In Noord-Brabant is SP en GroenLinks groot, in Limburg juist het CDA, verklaart Hunink. Je merkt dat de politieke ‘kleur’ van de bestuurslaag mede de invulling bepaalt van de natuurbescherming van een bevoegd gezag. “Ook in die 355 gemeenten zal de politiek straks een belangrijk stempel drukken. Door die ruimte voor eigen invulling hebben het Rijk en de provincies minder controle, en voor de natuur in Nederland als geheel kan dat een gevaar vormen.”

Niet afwachten

De Omgevingswet is al gepubliceerd en gaat per 1 januari 2021 in.

Hunink adviseert gemeenten vooral niet te gaan zitten afwachten. “Vooruit kijken, daar gaat het om. Mijn advies is: ga nu al inventariseren welke natuurwaarden er zijn. Als je vooraf in beeld hebt welke waarden aanwezig zijn en hoe ze die wilt beschermen, dan heb je daar straks wat aan.”

Voor natuur is dat wel een uitdaging: voor archeologie liggen waarden vast, maar de natuur is steeds in beweging. Toch: “Ambtenaren krijgen straks een overzicht [Mi2]met beschermde soorten in hun gemeente: hoe moet je daarmee omgaan, wat is de ruimte, wat zijn mitsen en maren. Het is belangrijk om daar nu al mee te beginnen. Die beschermde soorten veranderen niet.”

Behoud specialisten!

Dit alles vraagt kennis van natuur en het natuurbeschermingsrecht. Die kennis moeten gemeenten veelal nog in huis halen. Dat kun je prima gezamenlijk doen, zoals een aantal gemeenten in bijvoorbeeld de provincie Utrecht doen. “Adviesbureaus kunnen daarin ondersteunen op verschillende onderdelen, maar zorg ook dat je kennis kunt opnemen en behouden. Jurisprudentie hoort daar ook bij.

Het is aantrekkelijk voor gemeenten om steeds meer generalisten in dienst te nemen. Maar het is belangrijk om ook juist die specialisten te behouden en te ontwikkelen. Zodat waarden vertegenwoordigd blijven en je niet van extern advies afhankelijk blijft.”

DE OMGEVINGSWET:
hoe verloopt het proces en wat verandert er voor natuur?

Wij belden Alice Paffen, teamcoördinator Natuurwetgeving bij het ministerie van LNV over de stand van zaken. Hoe verloopt het proces, wat verandert er voor natuur en welke tips heeft zij voor gemeenten om zich voor te bereiden? U leest het op de volgende pagina.